Monthly Archives: February 2013

Electric Animal

electric animal, toward a rethoric of wildlife
akira mizuta lippit

p. 18 onderaan: mourning and melancholia:

ontwikkelingspsychologie en anthropologie spreken van een vorm van rouw die voortkomt uit de scheiding/het afscheid van respectievelijk het narcistische/heel (infantiele) met de andere het ontstaan van ‘the Self’ en anderzijds het verwerven van de autonomie van de mens tav het dier en het zich dus onderscheiden ervan.

een pathologische vorm van deze rouw (dat een normatief proces is) is de onvolledige vorm van rouw mn. de melancholie. deze uit zich door het verloren object met grote dubbelzinnigheid te bejegenen; enerzijds is er sprake van een vorm van identifiactie maar evenzeer een sterke vorm van vijandigheid, lees: sadisme.

in dit licht zijn dierenoffers melancholische rituelen die de oorsprong van de mensheid herhalen. ze doen dienst om de oorspronkelijke identificatie van de mens met het dier te bevestigen en te verloochenen, en te overwinnen.

-> opmerking: is ‘de jacht’ een ritueel, en kan ook het birdwatchen een soort jachtritueel genoemd worden? waarbij het identificeren, het determineren een toeëigenen is, een doodmaken.. het vogels-spotten als continuë herhaling van de vermenselijken, het ‘opgaan in’ (bv. de wandeling) en het doden en loslaten of afbreken van de eenheid door het een naam te geven (in een taxonomie onder te brengen, ((taxidermie?))

het is zeker een vorm van melancholie – robinson crusoë achterna – een mens die dan wel autonoom dan toch meer verbonden met de natuur was. het determineren van vogels en de jachtsport lijken een fundamentele breuk of verlies van de band met de natuur uit te drukken (lees: toe te dekken, te bevestigen, te verloochenen en te overwinnen)

http://www.amazon.com/Electric-Animal-Toward-Rhetoric-Wildlife/dp/0816634866

Blackbox (documentary proposal)

De documentaire ‘Blackbox’ wil een gelaagd verhaal vertellen waarbij de act van het ‘naar vogels kijken’ als metafoor wordt gebruikt voor, of geïnspireerd is door, onze hedendaagse digitale of netwerk-cultuur.

De amateur-vogelkijker (vogelaar, vogelliefhebber of ook wel veldornitholoog) die hiervoor in de film geportretteerd wordt kan daarom niet lukraak gekozen worden. Je kan stellen dat er 3 soorten vogelaars bestaan. Ten eerste zijn er de professionele ornithologen, de wetenschappers. Dan zijn er twichers: zij die lijstjes bijhouden en zoveel mogelijk vogels willen gezien, en liefst ook gefotografeerd, hebben. Daarnaast zijn er de vogelaars die puur uit passie en een eigenaardige fascinatie vogels (gaan) bekijken.
Het is dit laatste type vogelaar, of liefhebber, die het efemere karakter dat belichaamd wordt door deze diersoort in de verf zet. Het is een low-fi vogelaar die niet met het allerduurste materiaal dagen op de loer gaat liggen in exotische natuurreservaten. Het is een vogelaar die met bescheiden middelen op min of meer lokaal niveau zijn fascinatie voor vogels beleeft.

De documentaire wil veel meer dan een portret zijn van die ene mens of type vogelaar, maar wel een bepaald bewustzijn blootleggen, of zelfs vormgeven. De film probeert de specifieke ervaring te capteren van de vogelliefhebber die eigenlijk meestal géén uitzonderlijke soorten waarneemt dan wel (in tegenstelling tot natuurdocumentaires of exotische excursies).

Het is duidelijk dat deze specifieke ervaring mee bepaald wordt door de vogels zelf. Reeds eeuwenlang appeleren vogels aan het mythische, door hun kleuren, het feit dat ze kunnen vliegen of zelfs soms leren spreken. Die schijnbaar kleine fascinatie van de vogelaar kan op die manier teruggekoppeld worden aan een grotere kunst- en cultuurhistorische context. Het is geenszins de bedoeling om in de film expliciet de mythologische of iconografische toer op te gaan, maar de relatie tussen kunst, cultuur en vogels is ongetwijfeld een stuwende kracht achter dit verhaal. Zeker als het erom gaat vanuit de hedendaagse digitale en netwerk-cultuur te denken, en de vogels en het observeren ervan als poetisch dissectiemes aan te wenden.

Nobelprijswinnaar literatuur Saint-John Perse spreekt in zijn Oiseaux (1963) van “les princes de l’ubiquité”. Hans Ulrich Obrist vat Perses benadering als volgt: “birds are elements of ubiquity in the middle of things, but in the centre of nothing, oscillating between the actual and the virtual”.

Het is de bedoeling dat de link met het digitale tijdperk impliciet blijft, maar tegelijk is hij zeer structureel voor de film. Zowel het onderwerp als de vormelijke keuzes worden daarvoor ingezet. De film is in die zin een reflectie op digitale cultuur en mediakunst.

Concreet is het de bedoeling om een vogelaar te portretteren op het moment dat hij beslist om zich meer op het vogelgeluid te gaan toespitsen. Na jarenlang vogels kijken wil hij ook de zang van vogels beter kunnen herkennen. Hij wil ook vogels kunnen horen, die hij niet ziet.
Vogels herkennen aan hun geluid is niet evident, en vergt een hele tijd volgehouden oefening. De wetenschappelijke benadering ervan, de bioakoestiek, kon eigenlijk pas van start gaan bij het ontstaan van de eerste opname-apparatuur voor geluid. Bovendien, en dit is nog belangrijker, brak het pas door op het moment dat men er vervolgens ook in slaagde om het opgenomen geluid ook visueel in de vorm van sonogrammen weer te geven.
Het is dit feit — nl. dat men er niet of moeilijk in slaagde om opnames van vogelgeluiden met elkaar te vergelijken en te bespreken zolang er geen ‘tastbare’ beelden van bestonden — dat ons toont hoe fundamenteel visueel wij als mensen wel niet ingesteld zijn.

Het is bovendien dat visuele aspect dat hier de tegenhanger van het efemere, het vluchtige, het ongrijpbare (het virtuele) vertegenwoordigt.

In die zin zal de documentaire ook zichzelf, of het medium film, proberen deconstrueren. Namelijk door de lijn door te trekken, en zich initieel en eventueel voor het grootste deel op het geluid te

baseren. Heel concreet betekent dit dat de basis van de documentaire wordt gelegd door loutere geluidsopnames (dus niet enkel van vogels), om pas daarna op basis van die geluidsopnames ook beelden te maken. Het juiste evenwicht zal in de loop van het proces bepaald moeten worden, maar de geluidsopnames moeten de structurerende of sturende factor van de documentaire worden.

Een veelkleurige vogel die stilzit op stokje, daarvan krijg je slechts een vluchtige glimp te zien of hij moet gekooid of opgezet zijn. Vogels lijken een netwerk-cultuur te belichamen die me doet denken aan de manier waarop de Nederlandse media-theoreticus Geert Lovink een nieuwe manier van ‘kijken’ naar media-kunst promoot met de term ‘distributed aesthetics’. Het gaat over het erkennen van een vorm die niet visueel is maar gaat over verbindingen, relaties en netwerken. Denk ook aan de ‘relational aesthetics’ van Nicolas Bourriaud.

De documentaire toont een amateur die ook wil voorbijgaan aan die visuele benadering. Echte vogels trekken jaarlijks twee keer de halve wereld rond, communiceren met elkaar (ornithologen vermoeden zelfs een bepaalde taligheid doordat ze hun wijsjes moeten leren en niet per se instinctief in zich dragen). Echte vogels zijn “des lieux géometriques” of “non-places” (Perse over de vogels van Braque).

Er steekt binnen die netwerk-benadering trouwens een andere parallel de kop op: Vogels zijn ook belangrijke indicators voor ecologische kwesties, meer in het bijzonder voor de biodiversiteit. En ook door hun jaarlijkse voor- en najaarstrek zijn ze een belangrijke indicator voor de climatologische veranderingen.
In die zin zijn ze voortreffelijke ‘data-visualisers’. Dus toch visualiserend, maar dan door hun mobiliteit en ubiquiteit. Wanner men spreekt over dergelijke kwesties zoals die ecologische en climatologische, maakt men terecht vaak gewag van het feit dat deze door hun dusdanige complexiteit zeer moeilijk inzichtelijk te maken zijn voor het publiek. Net zo min als een kleurrijke vogel op een stok een echte vogel weergeeft, geven bv. foto’s van afbrekende gletsjers of eenvoudige Gore-iaanse curves van temperatuurstijging een waarachtig beeld van de complexiteit van de gebeurtenissen (men noemt dit soms ook wel eens ‘climate porn’). Eén van de meest boeiende domeinen binnen de digitale cultuur en mediakunst gaat net daarover, nl. het veld van de datavisualisatie.

Ik ben ervan overtuigd dat datavisualisatie, samen met de documentaire, één van de weinige mediabenaderingen is die erin slaagt om in onze huidige visueel gedetermineerde cultuur complexe problemen of structuren kan weergeven of inzichtelijk maken.

Concreet zal de documentaire een low-fi vogelaar portretteren die, zoals reeds gezegd, zich meer wil toespitsen op het auditieve aspect van vogels. Hij doet dit enerzijds door gewoon meer naar de vogels te luisteren. Maar om de film duidelijker te maken, en deze symbolische act uit te vergroten, zal hij een technisch project opzetten.

Even tussendoor: het mag duidelijk zijn dat ik, als maker van de film, ook de vogelaar zelf ben. Ik ben ook effectief bijna 20 jaar een echte vogelliefhebber.

Het technisch project dat ik wil opzetten om de symbolische act van ‘het naar vogels te luisteren, en ze dus niet te bekijken’, maar ook de link te leggen met de netwerk-cultuur is het bouwen van een Bird Tracker. De film moet dit project documenteren. Maar dus niet zonder meer. De documentaire en de Bird Tracker installatie zijn met elkaar verweven.

Een Bird Tracker is een DIY installatie waarbij je met behulp van een aantal zeer eenvoudige elementen (goedkope microfoon, emmer, plastic zeil, oude computer,…) vogelgeluiden kan opnemen van trekvogels die overvliegen. Trekvogels vliegen hoofdzakelijk ‘s nachts en houden contact met elkaar door een specifiek geluid te produceren. Dit geluid wordt opgenomen en kan

met eenvoudige gratis software gevisualiseerd worden en voor bepaalde soorten zelfs op basis van die visualisatie automatisch herkend worden door de computer.
Door meerdere dergelijke Bird Trackers in een grid of rooster te plaatsen kan je ook de preciese richting van de overvliegende trekvogels bepalen.

Dit bij nacht opnemen van het geluid van trekvogels vervormt de ervaring van de vogelaar tot iets wat vergeleken kan worden met wat mediafilosoof Villem Flusser de black-box noemt. Het apparaat waar je als manipulator verwordt tot een functionaris. Het apparaat waar je geen inzicht meer in hebt, en waarvan je als functionaris enkel de voorafbepaalde programma’s kunt uitvoeren. In dit geval is de black-box de nacht. En het observeren van de vogels gebeurt enkel achteraf. Er ontstaat dus een soort breuk in de perceptie. Er wordt slechts geïnsinueerd dat er een vogel passeerde aan de hand van een schrille toon en een sonogram.

Ik zou die Bird Tracker niet bouwen als ik er geen documentaire over zou maken. En ik zou op dit moment geen documentaire maken als ik die Bird Tracker niet zou bouwen. In die zin hebben ze een 1:1 verhouding. Met het bouwen van die Bird Tracker wil ik een verhaal vertellen, en het een naam geven (Blackbox).

Enkele andere al dan niet vormelijke verbanden die kunnen gelegd worden met de digitale cultuur:

YouTube: audiovisuele zelfportret - broadcast your Self (slecht camera/geluids-werk doordat de cameraman ook de interviewer en de geïnterviewde is)

Instructables: de digitale netwerk-cultuur creëerde een informele economie waarbij het maken en online zetten van instructies om bepaalde dingen te doen

Datavisualisatie: de vormelijke uitkomst van de opgenomen vogelgeluiden zijn sonogrammen

Geo-localisation: door het feit dat de Bird Trackers op een rooster of grid worden geplaatst kan niet enkel hun positie maar ook hun richting en snelheid worden gevisualiseerd

Citizen Science: de digitale cultuur bracht dit fenomeen met zich mee. Over ter wereld vernetwerken amateur-wetenschappers zich (vooral in de ornithologie en de astronomie) op digitale wijze via portals en sociale netwerken. Ze wisselen daar informatie uit met elkaar, maar leggen hun waarnemingen ook vast in grote databanken die toegankelijk zijn voor en gebruikt worden door wetenschappers in die respectievelijke terreinen. Op die manieren vormt die groep amateurs een gigantisch panopticon waarmee complexe en grootschalige natuurlijke fenomenen gemonitored kunnen worden.

Blackbox (exhibition proposal)

Inleiding

In de september-editie van Art Forum stelt Claire Bisschop de verhouding tussen hedendaagse kunst en digitale cultuur in het algemeen en nieuwe media en mediakunst in het bijzonder in vraag. (Digital Divide: on contemporary Art and New Media – http://artforum.com/inprint/issue=201207&id=31944&pagenum=0 )

De vraag naar “what it means to think, see, and filter affect through the digital, [and] reflect deeply on how we experience, and are altered by, the digitization of our existence?” blijft opmerkelijk afwezig in het discours van de hedendaagse kunst, stelt ze.

Dit is net waar Cimatics, en een heel veld van kunstenorganisaties met een focus op digitale cultuur (met aandacht voor mediakunst, design, experimentele electronische muziek etc.) wel proberen op in te gaan. Met het voorgestelde project willen we vanuit de historiek van onze organisatie iets uitdrukkelijker in dialoog treden met de wereld van de hedendaagse kunst, en de door Bisschop als afwezig omschreven vraag opnieuw naar voor brengen.

Dit wordt bewerkstelligd door een aantal heel formele aspecten van het project, mn. de link met Art Brussels en met Bozar. Ook enkel en alleen al het format ‘tentoonstelling’ is een uitermate geschikt startpunt. Maar dit alles is slechts een ondersteuning van een gerichte thematische benadering en concrete uitwerking.

Opzet

De mediakunst zelf blijft tot op vandaag een niche met een geheel eigen vocabularium, terwijl het net alles in zich draagt om zich open te stellen De formele technologische grondslag is immers gericht op brede participatie en toegankelijkheid, met een aan de technologie verbonden vormentaal die aansluiting vindt bij de hedendaagse populaire media. Veel mediakunst tentoonstellingen worden echter opgehangen aan essentiële maar voor de buitenwereld obscure thema’s zoals immersiviteit, de rhizoom, telepresence, ubiquity etc.

Cimatics wil met deze tentoonstelling op een andere manier ingaan op de hamvraag naar hoe onze existensie en ons ervaren, wijzigt en gewijzigd is in de digitaliteit.

Het blijft zaak om in de benadering van de tentoonstelling niet opnieuw over te gaan tot een specialistische dissectie van de problematiek, maar op zoek te gaan naar een manier om de wereld van het zijn en het ervaren in een gedigitaliseerde wereld op een holistische manier aan de orde te brengen. Met dit voor ogen wordt ingezet op de metafoor enerzijds, en een actuele dynamiek anderzijds.

De vogel als metafoor in het digitale tijdperk: les princes de l’ubiquité

Voortvloeiend uit een onderzoeksproject dat door Bram Crevits werd opgezet in het kader van een Sound Image Culture masterclass (kunst, antropologie en film) zal de tentoonstelling worden opgehangen aan de vogel als metafoor in het digitale tijdperk.

Nobelprijswinnaar literatuur Saint-John Perse spreekt in zijn Oiseaux (1963) van “les princes de lʼubiquité”. Hans Ulrich Obrist vat Perses benadering als volgt: “birds are elements of ubiquity in the middle of things, but in the centre of nothing, oscillating between the actual and the virtual”. Vogels lijken een netwerkcultuur te belichamen die ons doet denken aan de manier waarop de Nederlandse media-theoreticus Geert Lovink een nieuwe manier van ʻkijkenʼ naar media-kunst promoot met de term ʻdistributed aestheticsʼ. Het gaat over het erkennen van een vorm die niet visueel is maar gaat over verbindingen, relaties en netwerken. Als metafoor lijken vogels op die manier te functioneren als mediator die over de breuk van het digitale en reëel materiële en net zo ongrijpbaar experiëntiële heen vliegt. Vogels zijn vluchtlijnen.

De vogel staat in deze context voor het efemere, het dynamische, het ongrijpbare, het onverstaanbare en het alomtegenwoordige, en sluit op die manier zeer nauw aan met de manier waarop wij onze digitale cultuur ervaren.

De New Aesthetic als uitgangspunt voor een actueel perspectief: a moodboard for unknown products

De New Aesthetic is een stroming, een beweging, of op zijn minst een invloedrijke en controversiële polemiek in het veld van de digitale cultuur. Het is een design-concept en ‘netculture’-fenomeen dat startte met een blogpost en een online verzameling van beelden en links van de Londense designer en publicist James Briddle in 2011:
“For a while now, I’ve been collecting images and things that seem to approach a New Aesthetic of the future, which sounds more portentous than I mean. What I mean is that we’ve got frustrated with the NASA extropianism space-future, the failure of jetpacks, and we need to see the technologies we actually have with a new wonder. Consider this a mood-board for unknown products.”

De New Aesthetic gaat voor een groot stuk in op de ontoegankelijke, bevreemdende vormentaal (zowel als beoogd product als als ongewild residu) die voorkomt uit de nieuwe technologie en koppelt daar een filosofisch discours aan dat gewag maakt van een soort ontologische omkering in de verhouding van mens en machine geïllustreerd in de titel van een blogpost en een presentatie rond de New Aesthetic: “Waving at Machines”. Mensen wuiven naar machines. http://booktwo.org/notebook/waving-at-machines/

Eén van de protagonisten in het discours rond de New Aesthic is, naast Bruce Sterling, Marius Watz. De in New York residerende Noorse kunstenaar, designer en schrijver werkte reeds meerdere keren samen met Cimatics. Watz illustreert de thematiek van vervreemding in de New Aesthetic bijzonder goed:

“This is the new Aesthetic – human behavior augmented by technology as often as it is disrupted. The New Aesthetic is a sign saying ‘Translation Server Error’ rather than ‘Post Office’. The New Aesthetic is faces glowing ominously as people walk down the street at night staring at their phones – or worse, their iPads” (Watz 2012b).
http://www.thecreatorsproject.com/blog/in-response-to-bruce-sterlings-essay-on-the-new-aesthetic

De thema-tentoonstelling

Het confronteren met ideeën en kunstenaars gelieerd aan de New Aesthetic en de metafoor van de vogel levert een aantal parallellen en contrasten op die de tentoonstelling bijzonder relevant maakt vanuit de historiek van Cimatics en vanuit de concrete betrachting in verband met de context van Art Brussels en Bozar.

Het inzetten op de metafoor van de vogel is enerzijds maar — zeker niet louter — bedoeld om aan een soort cultuur-analyse te doen in de zin van ‘op welke manier worden vogels vandaag als metafoor aangewend’ in de kunsten. Om op die vraag in te gaan wordt een selectie gemaakt van kunstenaars die al dan niet expliciet de metafoor van de vogel inzetten in hun werk. Hiervoor willen we zowel kunstenaars uit het veld van de mediakunst en de digitale cultuur (HCGilje, Kimchi and Chips) als uit de hedendaagse kunst in de brede zin selecteren (Marcus Coates, Patrick Van Caeckenbergh, Carsten Höller), en confronteren met een aantal exemplarische werken van kunstenaars die in verband gebracht kunnen worden met het discours rond de New Aesthetics. (Erica Scourti, Marius Watz, Aaron Koblin, Matt Richardson). (noot: het is bovendien een knipoog naar de Brusselse context en dé thema-tentoonstelling bij uitstek: ‘Le département des aigles’).

Anderzijds is het uitdrukkelijk de bedoeling — en dit ligt in het verlengde van de wijze waarop het discours van de New Aesthetic zich niet enkel op beoogde (eind)producten van kunst en vormgeving richt maar ook, en zeker niet ondergeschikt daaraan, de aandacht richt op de residuën van onze digitale cultuur (QR-codes, glitches en bugs, drone-beelden, Google-streetview panorama’s…) — om naast de manier waarop de vogel bewust als metafoor ingezet wordt, ook op zoek te gaan naar die verbeeldingen waarbij het de vogel zelf lijkt die onze hedendaagse (netwerk)cultuur re-medieert.

Meer specifiek zal er gepoogd worden om aan de hand van een uitgebreide collectie amateur YouTube video’s, inzicht te bieden en te krijgen in de wijze waarop deze spontane ‘verbeeldingen’ uitdrukking geven aan de nieuw verworven metaforisch functie van vogels: op welke manier brengen mensen anno 2012 vogels in beeld? En re-mediëren vogels op die manier niet onze hedendaagse digitale cultuur?

Data-base aesthetics

Bram Crevits hield voor deze laatste benadering reeds een vooronderzoek in de marge van een SIC masterclass (2011) onder begeleiding van Dr. Chris Wright en in dialoog met o.a. An van Dienderen, Laurent Van Lancker … Dit leverde een archief op van YouTube video’s waarbij vogels op uiteenlopende maar zeer exemplarische wijze ‘verbeeld’ werden (lees: in beeldgebracht door amateur-filmers)

Bedoeling is om de tentoonstelling op te vatten als een hedendaagse thematentoonstelling, die verder gaat dan maar tegelijk sterke herinneringen oproept aan de ‘query’ of zoekopdracht op Google: als een geobjectiveerde resultaat van een aantal zoektermen. Het confronteren van artistieke en niet-artistieke artefacten rond een bepaalde thematiek biedt heel wat mogelijkheden om binnen de tentoonstelling een discours uit te bouwen, en roept vragen op omtrent het statuut van deze of gene verbeelding. Cimatics experimenteerd hier reeds mee in haar kleine Intermerz tentoonstellingen in Sevilla en Gijon.

the question is not only how the bird is mediated by our contemporary culture, but how the bird itself is remediating contemporary culture to us

How can birds sit on electrical wires and not get electrocuted? (essay)

The bird as a contemporary cultural form.
How can birds sit on electrical wires and not get electrocuted?

We are/I am interested in the way digital technologies have been and are reshaping our society, culture, perception and experience.

For a great variety of reasons I see a lot of relevance in birds for this. What especially interests me is the symbolic functioning of birds today, related to network society.

The bird is a very powerful symbol. It is not only a useful indicator for natural changes of seasons, weather or climate. Being able to fly, in almost all cultures it is linked to freedom and spirituality. Their lightness and mobility renders birds as a ubiquitous presence between the gods and our daily reality. But birds, with their songs and calls, are also ambassadors of (musical) beauty and communication.

The bird is a container carrying myth. Myth born in cultural traditions constructed from and intertwined with deeply rooted psychological connotations. As such, migratory birds are symbols with a shifting meaning along their routes.

How is the bird, and all it’s historical and traditional connotations, mediated and reshaped by and within contemporary culture?

The bird as a cross-cultural denominator in mythology (i.e. in all times, in all cultures) is now flying into the inter-cultural realm of global society. How does this affect it’s meaning?

For this we should reposition it within the ‘nature’ of globalized culture. What is the underlying structure of this culture, its condition of possibility, and how is it expressed?

The inter-cultural global village is a heterogeneous patchwork of narratives, histories and traditions built upon a homogeneous field of neoliberal imperialism.

It is the latter which made way for this globalization by means of a materialist ideology closely intertwined with technological development. Global culture is built upon and exhaling this techno-ideological substrate.

The result is an information or network society, mainly urban, and obsessed with communication and mobility. The underlying materialism, with its dogma of speed and progress, is rather hostile towards tradition and spirituality but nonetheless very active in myth production.

Our birds are now physically and mentally, spiritually and naturally nesting in this new socio-technological system.

This new nature creates different symbolic relations to birds. When Modernity and its industrial rupture of our connection with nature, rendered the symbolic and mythical function of birds rather irrelevant (apart from aviation and Freedom), we now see numerous new threads.

Most exemplary is probably Twitter as an epitome of contemporary digital culture, taking the bird (and not its feathers but its speech) as the image for a highly mobile, inclusive, distributed, geo-located and granulized communication system. And why shouldn’t we mention the much reported imitations of ringtones by starlings in urban environments?

Contemporary culture inhabits the image of the bird as a line of flight, a connection, far more than a beautiful collection of colorful feathers. When before the bird was a messenger of the divine, in our de-spiritualizing world it flies around between the contemporary spheres of real and virtual, of nature and technology, of rural and urban, of connected and disconnected.

The project is essentially an artistic survey (though based on theoretical fields of study such as communication science, sociology, anthropology, philosophy, linguistics and psychoanalysis), but is not aiming at a fixed, predetermined form of expression. The project takes at its core theoretical reflection and field-research (mainly interviews, both on- and offline), and the meticulous documentation of this process.

This personal artistic approach is a repositioning and rephrasing of the initial starting-point of the research project, which aim is not to catalogue or to index a comprehensive survey of instantiations of the symbolic or mythical aspects of birds appropriated or mediated by our digital culture.

The artistic comprises a subjective quest for understanding and acting upon the experiential and identity-producing aspects of the condition of residing in this socio-technological system (remoteness, wirelessness, locality, emergence, speech, translation, appropriation,…)

In this sense the main question is not how the bird is mediated by our contemporary culture, but how the bird itself is remediating contemporary culture to us (to me = the researcher).

The goal is to participate in the ongoing myth-production, to anticipate a future myth, to prepare its re-connection with historical and traditional narratives.