Category Archives: Text

brief curatorial statement

We seem to live in a weird and surreal mix of an inclusive and participatory society underneath an ever more total(itarian) system, which both are instigated by the same ubiquitous technology.

We are knitting, 3D-printing, self-publishing and growing our own urban vegetables under the shaddows of drones, internet monopolies and bankrupt and corrupted economies.

Bismarck would have called this a ‘balance of powers’… Maybe

However, the ever increasing rate and pace of these evolutions — which are essentially technological (with a huge social, political, economic and cultural impact) — shows us this is only a moment of balance.

Some fields of study would call this the ‘technological momentum’.

When James talks about an ‘endless war’, I would like to add this seemingly continuous revolution to it.

The ‘technological momentum’ can be found in every process of technological development or innovation. It is that moment or short period of time when equally powerful (or interested) stakeholders struggle to steer a technological innovation in a certain direction.

Ideally this is a cultural fight or debate. And given the circumstances we can fairly say it is revolutional (as opposed to evolutional).
Let’s call this continuous revolution something like ‘slow-revolution’, as in slow-food, slow-science. (which is a bit more profound, if you like)

In order to be a true powerfull player in this fight or debate of this timely ‘technological momentum’, we ‘the users‘ — who are interested in and benefitting from this inclusive technology — we need a collective imagination.
A mobilizing, inspiring, collective, technological imagination.

And history proved metaphors to be crucial elements for this kind of mobilizations.

The exhibition (Drones / Birds) tries to trigger it’s visitors imagination in this way; by trying to re-vitalize a contemporary image of birds.

The bird was a symbol and metaphor in every culture and history we know.

Today, the bird seems quite a relevant embodiment for rather conceptual notions related to digital technology: such as ubiquity, the immersive, wirelessness, remoteness, locality, distributed networks etc.
And we, ‘the users’, should claim these notions and deal with them… which otherwise are far to easy being claimed by a total system in an endless war.

To finnish I have to more qoutes:

First of all:
Hans Ulrich Obrist once stated:

“Birds are elements of ubiquity in the middle of things, but in the centre of nothing, oscillating between the actual and the virtual.”

And when James states:
“Those who cannot perceive the network cannot act effectively within it, and are powerless. The job then is to make such thing visible”.

Next to and after making visible, we need means which grant access to often complex conceptual notions. Revitalising effective metaphors seems essential.

Electric Animal

electric animal, toward a rethoric of wildlife
akira mizuta lippit

p. 18 onderaan: mourning and melancholia:

ontwikkelingspsychologie en anthropologie spreken van een vorm van rouw die voortkomt uit de scheiding/het afscheid van respectievelijk het narcistische/heel (infantiele) met de andere het ontstaan van ‘the Self’ en anderzijds het verwerven van de autonomie van de mens tav het dier en het zich dus onderscheiden ervan.

een pathologische vorm van deze rouw (dat een normatief proces is) is de onvolledige vorm van rouw mn. de melancholie. deze uit zich door het verloren object met grote dubbelzinnigheid te bejegenen; enerzijds is er sprake van een vorm van identifiactie maar evenzeer een sterke vorm van vijandigheid, lees: sadisme.

in dit licht zijn dierenoffers melancholische rituelen die de oorsprong van de mensheid herhalen. ze doen dienst om de oorspronkelijke identificatie van de mens met het dier te bevestigen en te verloochenen, en te overwinnen.

-> opmerking: is ‘de jacht’ een ritueel, en kan ook het birdwatchen een soort jachtritueel genoemd worden? waarbij het identificeren, het determineren een toeëigenen is, een doodmaken.. het vogels-spotten als continuë herhaling van de vermenselijken, het ‘opgaan in’ (bv. de wandeling) en het doden en loslaten of afbreken van de eenheid door het een naam te geven (in een taxonomie onder te brengen, ((taxidermie?))

het is zeker een vorm van melancholie – robinson crusoë achterna – een mens die dan wel autonoom dan toch meer verbonden met de natuur was. het determineren van vogels en de jachtsport lijken een fundamentele breuk of verlies van de band met de natuur uit te drukken (lees: toe te dekken, te bevestigen, te verloochenen en te overwinnen)

http://www.amazon.com/Electric-Animal-Toward-Rhetoric-Wildlife/dp/0816634866

Blackbox (documentary proposal)

De documentaire ‘Blackbox’ wil een gelaagd verhaal vertellen waarbij de act van het ‘naar vogels kijken’ als metafoor wordt gebruikt voor, of geïnspireerd is door, onze hedendaagse digitale of netwerk-cultuur.

De amateur-vogelkijker (vogelaar, vogelliefhebber of ook wel veldornitholoog) die hiervoor in de film geportretteerd wordt kan daarom niet lukraak gekozen worden. Je kan stellen dat er 3 soorten vogelaars bestaan. Ten eerste zijn er de professionele ornithologen, de wetenschappers. Dan zijn er twichers: zij die lijstjes bijhouden en zoveel mogelijk vogels willen gezien, en liefst ook gefotografeerd, hebben. Daarnaast zijn er de vogelaars die puur uit passie en een eigenaardige fascinatie vogels (gaan) bekijken.
Het is dit laatste type vogelaar, of liefhebber, die het efemere karakter dat belichaamd wordt door deze diersoort in de verf zet. Het is een low-fi vogelaar die niet met het allerduurste materiaal dagen op de loer gaat liggen in exotische natuurreservaten. Het is een vogelaar die met bescheiden middelen op min of meer lokaal niveau zijn fascinatie voor vogels beleeft.

De documentaire wil veel meer dan een portret zijn van die ene mens of type vogelaar, maar wel een bepaald bewustzijn blootleggen, of zelfs vormgeven. De film probeert de specifieke ervaring te capteren van de vogelliefhebber die eigenlijk meestal géén uitzonderlijke soorten waarneemt dan wel (in tegenstelling tot natuurdocumentaires of exotische excursies).

Het is duidelijk dat deze specifieke ervaring mee bepaald wordt door de vogels zelf. Reeds eeuwenlang appeleren vogels aan het mythische, door hun kleuren, het feit dat ze kunnen vliegen of zelfs soms leren spreken. Die schijnbaar kleine fascinatie van de vogelaar kan op die manier teruggekoppeld worden aan een grotere kunst- en cultuurhistorische context. Het is geenszins de bedoeling om in de film expliciet de mythologische of iconografische toer op te gaan, maar de relatie tussen kunst, cultuur en vogels is ongetwijfeld een stuwende kracht achter dit verhaal. Zeker als het erom gaat vanuit de hedendaagse digitale en netwerk-cultuur te denken, en de vogels en het observeren ervan als poetisch dissectiemes aan te wenden.

Nobelprijswinnaar literatuur Saint-John Perse spreekt in zijn Oiseaux (1963) van “les princes de l’ubiquité”. Hans Ulrich Obrist vat Perses benadering als volgt: “birds are elements of ubiquity in the middle of things, but in the centre of nothing, oscillating between the actual and the virtual”.

Het is de bedoeling dat de link met het digitale tijdperk impliciet blijft, maar tegelijk is hij zeer structureel voor de film. Zowel het onderwerp als de vormelijke keuzes worden daarvoor ingezet. De film is in die zin een reflectie op digitale cultuur en mediakunst.

Concreet is het de bedoeling om een vogelaar te portretteren op het moment dat hij beslist om zich meer op het vogelgeluid te gaan toespitsen. Na jarenlang vogels kijken wil hij ook de zang van vogels beter kunnen herkennen. Hij wil ook vogels kunnen horen, die hij niet ziet.
Vogels herkennen aan hun geluid is niet evident, en vergt een hele tijd volgehouden oefening. De wetenschappelijke benadering ervan, de bioakoestiek, kon eigenlijk pas van start gaan bij het ontstaan van de eerste opname-apparatuur voor geluid. Bovendien, en dit is nog belangrijker, brak het pas door op het moment dat men er vervolgens ook in slaagde om het opgenomen geluid ook visueel in de vorm van sonogrammen weer te geven.
Het is dit feit — nl. dat men er niet of moeilijk in slaagde om opnames van vogelgeluiden met elkaar te vergelijken en te bespreken zolang er geen ‘tastbare’ beelden van bestonden — dat ons toont hoe fundamenteel visueel wij als mensen wel niet ingesteld zijn.

Het is bovendien dat visuele aspect dat hier de tegenhanger van het efemere, het vluchtige, het ongrijpbare (het virtuele) vertegenwoordigt.

In die zin zal de documentaire ook zichzelf, of het medium film, proberen deconstrueren. Namelijk door de lijn door te trekken, en zich initieel en eventueel voor het grootste deel op het geluid te

baseren. Heel concreet betekent dit dat de basis van de documentaire wordt gelegd door loutere geluidsopnames (dus niet enkel van vogels), om pas daarna op basis van die geluidsopnames ook beelden te maken. Het juiste evenwicht zal in de loop van het proces bepaald moeten worden, maar de geluidsopnames moeten de structurerende of sturende factor van de documentaire worden.

Een veelkleurige vogel die stilzit op stokje, daarvan krijg je slechts een vluchtige glimp te zien of hij moet gekooid of opgezet zijn. Vogels lijken een netwerk-cultuur te belichamen die me doet denken aan de manier waarop de Nederlandse media-theoreticus Geert Lovink een nieuwe manier van ‘kijken’ naar media-kunst promoot met de term ‘distributed aesthetics’. Het gaat over het erkennen van een vorm die niet visueel is maar gaat over verbindingen, relaties en netwerken. Denk ook aan de ‘relational aesthetics’ van Nicolas Bourriaud.

De documentaire toont een amateur die ook wil voorbijgaan aan die visuele benadering. Echte vogels trekken jaarlijks twee keer de halve wereld rond, communiceren met elkaar (ornithologen vermoeden zelfs een bepaalde taligheid doordat ze hun wijsjes moeten leren en niet per se instinctief in zich dragen). Echte vogels zijn “des lieux géometriques” of “non-places” (Perse over de vogels van Braque).

Er steekt binnen die netwerk-benadering trouwens een andere parallel de kop op: Vogels zijn ook belangrijke indicators voor ecologische kwesties, meer in het bijzonder voor de biodiversiteit. En ook door hun jaarlijkse voor- en najaarstrek zijn ze een belangrijke indicator voor de climatologische veranderingen.
In die zin zijn ze voortreffelijke ‘data-visualisers’. Dus toch visualiserend, maar dan door hun mobiliteit en ubiquiteit. Wanner men spreekt over dergelijke kwesties zoals die ecologische en climatologische, maakt men terecht vaak gewag van het feit dat deze door hun dusdanige complexiteit zeer moeilijk inzichtelijk te maken zijn voor het publiek. Net zo min als een kleurrijke vogel op een stok een echte vogel weergeeft, geven bv. foto’s van afbrekende gletsjers of eenvoudige Gore-iaanse curves van temperatuurstijging een waarachtig beeld van de complexiteit van de gebeurtenissen (men noemt dit soms ook wel eens ‘climate porn’). Eén van de meest boeiende domeinen binnen de digitale cultuur en mediakunst gaat net daarover, nl. het veld van de datavisualisatie.

Ik ben ervan overtuigd dat datavisualisatie, samen met de documentaire, één van de weinige mediabenaderingen is die erin slaagt om in onze huidige visueel gedetermineerde cultuur complexe problemen of structuren kan weergeven of inzichtelijk maken.

Concreet zal de documentaire een low-fi vogelaar portretteren die, zoals reeds gezegd, zich meer wil toespitsen op het auditieve aspect van vogels. Hij doet dit enerzijds door gewoon meer naar de vogels te luisteren. Maar om de film duidelijker te maken, en deze symbolische act uit te vergroten, zal hij een technisch project opzetten.

Even tussendoor: het mag duidelijk zijn dat ik, als maker van de film, ook de vogelaar zelf ben. Ik ben ook effectief bijna 20 jaar een echte vogelliefhebber.

Het technisch project dat ik wil opzetten om de symbolische act van ‘het naar vogels te luisteren, en ze dus niet te bekijken’, maar ook de link te leggen met de netwerk-cultuur is het bouwen van een Bird Tracker. De film moet dit project documenteren. Maar dus niet zonder meer. De documentaire en de Bird Tracker installatie zijn met elkaar verweven.

Een Bird Tracker is een DIY installatie waarbij je met behulp van een aantal zeer eenvoudige elementen (goedkope microfoon, emmer, plastic zeil, oude computer,…) vogelgeluiden kan opnemen van trekvogels die overvliegen. Trekvogels vliegen hoofdzakelijk ‘s nachts en houden contact met elkaar door een specifiek geluid te produceren. Dit geluid wordt opgenomen en kan

met eenvoudige gratis software gevisualiseerd worden en voor bepaalde soorten zelfs op basis van die visualisatie automatisch herkend worden door de computer.
Door meerdere dergelijke Bird Trackers in een grid of rooster te plaatsen kan je ook de preciese richting van de overvliegende trekvogels bepalen.

Dit bij nacht opnemen van het geluid van trekvogels vervormt de ervaring van de vogelaar tot iets wat vergeleken kan worden met wat mediafilosoof Villem Flusser de black-box noemt. Het apparaat waar je als manipulator verwordt tot een functionaris. Het apparaat waar je geen inzicht meer in hebt, en waarvan je als functionaris enkel de voorafbepaalde programma’s kunt uitvoeren. In dit geval is de black-box de nacht. En het observeren van de vogels gebeurt enkel achteraf. Er ontstaat dus een soort breuk in de perceptie. Er wordt slechts geïnsinueerd dat er een vogel passeerde aan de hand van een schrille toon en een sonogram.

Ik zou die Bird Tracker niet bouwen als ik er geen documentaire over zou maken. En ik zou op dit moment geen documentaire maken als ik die Bird Tracker niet zou bouwen. In die zin hebben ze een 1:1 verhouding. Met het bouwen van die Bird Tracker wil ik een verhaal vertellen, en het een naam geven (Blackbox).

Enkele andere al dan niet vormelijke verbanden die kunnen gelegd worden met de digitale cultuur:

YouTube: audiovisuele zelfportret - broadcast your Self (slecht camera/geluids-werk doordat de cameraman ook de interviewer en de geïnterviewde is)

Instructables: de digitale netwerk-cultuur creëerde een informele economie waarbij het maken en online zetten van instructies om bepaalde dingen te doen

Datavisualisatie: de vormelijke uitkomst van de opgenomen vogelgeluiden zijn sonogrammen

Geo-localisation: door het feit dat de Bird Trackers op een rooster of grid worden geplaatst kan niet enkel hun positie maar ook hun richting en snelheid worden gevisualiseerd

Citizen Science: de digitale cultuur bracht dit fenomeen met zich mee. Over ter wereld vernetwerken amateur-wetenschappers zich (vooral in de ornithologie en de astronomie) op digitale wijze via portals en sociale netwerken. Ze wisselen daar informatie uit met elkaar, maar leggen hun waarnemingen ook vast in grote databanken die toegankelijk zijn voor en gebruikt worden door wetenschappers in die respectievelijke terreinen. Op die manieren vormt die groep amateurs een gigantisch panopticon waarmee complexe en grootschalige natuurlijke fenomenen gemonitored kunnen worden.

Blackbox (exhibition proposal)

Inleiding

In de september-editie van Art Forum stelt Claire Bisschop de verhouding tussen hedendaagse kunst en digitale cultuur in het algemeen en nieuwe media en mediakunst in het bijzonder in vraag. (Digital Divide: on contemporary Art and New Media – http://artforum.com/inprint/issue=201207&id=31944&pagenum=0 )

De vraag naar “what it means to think, see, and filter affect through the digital, [and] reflect deeply on how we experience, and are altered by, the digitization of our existence?” blijft opmerkelijk afwezig in het discours van de hedendaagse kunst, stelt ze.

Dit is net waar Cimatics, en een heel veld van kunstenorganisaties met een focus op digitale cultuur (met aandacht voor mediakunst, design, experimentele electronische muziek etc.) wel proberen op in te gaan. Met het voorgestelde project willen we vanuit de historiek van onze organisatie iets uitdrukkelijker in dialoog treden met de wereld van de hedendaagse kunst, en de door Bisschop als afwezig omschreven vraag opnieuw naar voor brengen.

Dit wordt bewerkstelligd door een aantal heel formele aspecten van het project, mn. de link met Art Brussels en met Bozar. Ook enkel en alleen al het format ‘tentoonstelling’ is een uitermate geschikt startpunt. Maar dit alles is slechts een ondersteuning van een gerichte thematische benadering en concrete uitwerking.

Opzet

De mediakunst zelf blijft tot op vandaag een niche met een geheel eigen vocabularium, terwijl het net alles in zich draagt om zich open te stellen De formele technologische grondslag is immers gericht op brede participatie en toegankelijkheid, met een aan de technologie verbonden vormentaal die aansluiting vindt bij de hedendaagse populaire media. Veel mediakunst tentoonstellingen worden echter opgehangen aan essentiële maar voor de buitenwereld obscure thema’s zoals immersiviteit, de rhizoom, telepresence, ubiquity etc.

Cimatics wil met deze tentoonstelling op een andere manier ingaan op de hamvraag naar hoe onze existensie en ons ervaren, wijzigt en gewijzigd is in de digitaliteit.

Het blijft zaak om in de benadering van de tentoonstelling niet opnieuw over te gaan tot een specialistische dissectie van de problematiek, maar op zoek te gaan naar een manier om de wereld van het zijn en het ervaren in een gedigitaliseerde wereld op een holistische manier aan de orde te brengen. Met dit voor ogen wordt ingezet op de metafoor enerzijds, en een actuele dynamiek anderzijds.

De vogel als metafoor in het digitale tijdperk: les princes de l’ubiquité

Voortvloeiend uit een onderzoeksproject dat door Bram Crevits werd opgezet in het kader van een Sound Image Culture masterclass (kunst, antropologie en film) zal de tentoonstelling worden opgehangen aan de vogel als metafoor in het digitale tijdperk.

Nobelprijswinnaar literatuur Saint-John Perse spreekt in zijn Oiseaux (1963) van “les princes de lʼubiquité”. Hans Ulrich Obrist vat Perses benadering als volgt: “birds are elements of ubiquity in the middle of things, but in the centre of nothing, oscillating between the actual and the virtual”. Vogels lijken een netwerkcultuur te belichamen die ons doet denken aan de manier waarop de Nederlandse media-theoreticus Geert Lovink een nieuwe manier van ʻkijkenʼ naar media-kunst promoot met de term ʻdistributed aestheticsʼ. Het gaat over het erkennen van een vorm die niet visueel is maar gaat over verbindingen, relaties en netwerken. Als metafoor lijken vogels op die manier te functioneren als mediator die over de breuk van het digitale en reëel materiële en net zo ongrijpbaar experiëntiële heen vliegt. Vogels zijn vluchtlijnen.

De vogel staat in deze context voor het efemere, het dynamische, het ongrijpbare, het onverstaanbare en het alomtegenwoordige, en sluit op die manier zeer nauw aan met de manier waarop wij onze digitale cultuur ervaren.

De New Aesthetic als uitgangspunt voor een actueel perspectief: a moodboard for unknown products

De New Aesthetic is een stroming, een beweging, of op zijn minst een invloedrijke en controversiële polemiek in het veld van de digitale cultuur. Het is een design-concept en ‘netculture’-fenomeen dat startte met een blogpost en een online verzameling van beelden en links van de Londense designer en publicist James Briddle in 2011:
“For a while now, I’ve been collecting images and things that seem to approach a New Aesthetic of the future, which sounds more portentous than I mean. What I mean is that we’ve got frustrated with the NASA extropianism space-future, the failure of jetpacks, and we need to see the technologies we actually have with a new wonder. Consider this a mood-board for unknown products.”

De New Aesthetic gaat voor een groot stuk in op de ontoegankelijke, bevreemdende vormentaal (zowel als beoogd product als als ongewild residu) die voorkomt uit de nieuwe technologie en koppelt daar een filosofisch discours aan dat gewag maakt van een soort ontologische omkering in de verhouding van mens en machine geïllustreerd in de titel van een blogpost en een presentatie rond de New Aesthetic: “Waving at Machines”. Mensen wuiven naar machines. http://booktwo.org/notebook/waving-at-machines/

Eén van de protagonisten in het discours rond de New Aesthic is, naast Bruce Sterling, Marius Watz. De in New York residerende Noorse kunstenaar, designer en schrijver werkte reeds meerdere keren samen met Cimatics. Watz illustreert de thematiek van vervreemding in de New Aesthetic bijzonder goed:

“This is the new Aesthetic – human behavior augmented by technology as often as it is disrupted. The New Aesthetic is a sign saying ‘Translation Server Error’ rather than ‘Post Office’. The New Aesthetic is faces glowing ominously as people walk down the street at night staring at their phones – or worse, their iPads” (Watz 2012b).
http://www.thecreatorsproject.com/blog/in-response-to-bruce-sterlings-essay-on-the-new-aesthetic

De thema-tentoonstelling

Het confronteren met ideeën en kunstenaars gelieerd aan de New Aesthetic en de metafoor van de vogel levert een aantal parallellen en contrasten op die de tentoonstelling bijzonder relevant maakt vanuit de historiek van Cimatics en vanuit de concrete betrachting in verband met de context van Art Brussels en Bozar.

Het inzetten op de metafoor van de vogel is enerzijds maar — zeker niet louter — bedoeld om aan een soort cultuur-analyse te doen in de zin van ‘op welke manier worden vogels vandaag als metafoor aangewend’ in de kunsten. Om op die vraag in te gaan wordt een selectie gemaakt van kunstenaars die al dan niet expliciet de metafoor van de vogel inzetten in hun werk. Hiervoor willen we zowel kunstenaars uit het veld van de mediakunst en de digitale cultuur (HCGilje, Kimchi and Chips) als uit de hedendaagse kunst in de brede zin selecteren (Marcus Coates, Patrick Van Caeckenbergh, Carsten Höller), en confronteren met een aantal exemplarische werken van kunstenaars die in verband gebracht kunnen worden met het discours rond de New Aesthetics. (Erica Scourti, Marius Watz, Aaron Koblin, Matt Richardson). (noot: het is bovendien een knipoog naar de Brusselse context en dé thema-tentoonstelling bij uitstek: ‘Le département des aigles’).

Anderzijds is het uitdrukkelijk de bedoeling — en dit ligt in het verlengde van de wijze waarop het discours van de New Aesthetic zich niet enkel op beoogde (eind)producten van kunst en vormgeving richt maar ook, en zeker niet ondergeschikt daaraan, de aandacht richt op de residuën van onze digitale cultuur (QR-codes, glitches en bugs, drone-beelden, Google-streetview panorama’s…) — om naast de manier waarop de vogel bewust als metafoor ingezet wordt, ook op zoek te gaan naar die verbeeldingen waarbij het de vogel zelf lijkt die onze hedendaagse (netwerk)cultuur re-medieert.

Meer specifiek zal er gepoogd worden om aan de hand van een uitgebreide collectie amateur YouTube video’s, inzicht te bieden en te krijgen in de wijze waarop deze spontane ‘verbeeldingen’ uitdrukking geven aan de nieuw verworven metaforisch functie van vogels: op welke manier brengen mensen anno 2012 vogels in beeld? En re-mediëren vogels op die manier niet onze hedendaagse digitale cultuur?

Data-base aesthetics

Bram Crevits hield voor deze laatste benadering reeds een vooronderzoek in de marge van een SIC masterclass (2011) onder begeleiding van Dr. Chris Wright en in dialoog met o.a. An van Dienderen, Laurent Van Lancker … Dit leverde een archief op van YouTube video’s waarbij vogels op uiteenlopende maar zeer exemplarische wijze ‘verbeeld’ werden (lees: in beeldgebracht door amateur-filmers)

Bedoeling is om de tentoonstelling op te vatten als een hedendaagse thematentoonstelling, die verder gaat dan maar tegelijk sterke herinneringen oproept aan de ‘query’ of zoekopdracht op Google: als een geobjectiveerde resultaat van een aantal zoektermen. Het confronteren van artistieke en niet-artistieke artefacten rond een bepaalde thematiek biedt heel wat mogelijkheden om binnen de tentoonstelling een discours uit te bouwen, en roept vragen op omtrent het statuut van deze of gene verbeelding. Cimatics experimenteerd hier reeds mee in haar kleine Intermerz tentoonstellingen in Sevilla en Gijon.

the question is not only how the bird is mediated by our contemporary culture, but how the bird itself is remediating contemporary culture to us

How can birds sit on electrical wires and not get electrocuted? (essay)

The bird as a contemporary cultural form.
How can birds sit on electrical wires and not get electrocuted?

We are/I am interested in the way digital technologies have been and are reshaping our society, culture, perception and experience.

For a great variety of reasons I see a lot of relevance in birds for this. What especially interests me is the symbolic functioning of birds today, related to network society.

The bird is a very powerful symbol. It is not only a useful indicator for natural changes of seasons, weather or climate. Being able to fly, in almost all cultures it is linked to freedom and spirituality. Their lightness and mobility renders birds as a ubiquitous presence between the gods and our daily reality. But birds, with their songs and calls, are also ambassadors of (musical) beauty and communication.

The bird is a container carrying myth. Myth born in cultural traditions constructed from and intertwined with deeply rooted psychological connotations. As such, migratory birds are symbols with a shifting meaning along their routes.

How is the bird, and all it’s historical and traditional connotations, mediated and reshaped by and within contemporary culture?

The bird as a cross-cultural denominator in mythology (i.e. in all times, in all cultures) is now flying into the inter-cultural realm of global society. How does this affect it’s meaning?

For this we should reposition it within the ‘nature’ of globalized culture. What is the underlying structure of this culture, its condition of possibility, and how is it expressed?

The inter-cultural global village is a heterogeneous patchwork of narratives, histories and traditions built upon a homogeneous field of neoliberal imperialism.

It is the latter which made way for this globalization by means of a materialist ideology closely intertwined with technological development. Global culture is built upon and exhaling this techno-ideological substrate.

The result is an information or network society, mainly urban, and obsessed with communication and mobility. The underlying materialism, with its dogma of speed and progress, is rather hostile towards tradition and spirituality but nonetheless very active in myth production.

Our birds are now physically and mentally, spiritually and naturally nesting in this new socio-technological system.

This new nature creates different symbolic relations to birds. When Modernity and its industrial rupture of our connection with nature, rendered the symbolic and mythical function of birds rather irrelevant (apart from aviation and Freedom), we now see numerous new threads.

Most exemplary is probably Twitter as an epitome of contemporary digital culture, taking the bird (and not its feathers but its speech) as the image for a highly mobile, inclusive, distributed, geo-located and granulized communication system. And why shouldn’t we mention the much reported imitations of ringtones by starlings in urban environments?

Contemporary culture inhabits the image of the bird as a line of flight, a connection, far more than a beautiful collection of colorful feathers. When before the bird was a messenger of the divine, in our de-spiritualizing world it flies around between the contemporary spheres of real and virtual, of nature and technology, of rural and urban, of connected and disconnected.

The project is essentially an artistic survey (though based on theoretical fields of study such as communication science, sociology, anthropology, philosophy, linguistics and psychoanalysis), but is not aiming at a fixed, predetermined form of expression. The project takes at its core theoretical reflection and field-research (mainly interviews, both on- and offline), and the meticulous documentation of this process.

This personal artistic approach is a repositioning and rephrasing of the initial starting-point of the research project, which aim is not to catalogue or to index a comprehensive survey of instantiations of the symbolic or mythical aspects of birds appropriated or mediated by our digital culture.

The artistic comprises a subjective quest for understanding and acting upon the experiential and identity-producing aspects of the condition of residing in this socio-technological system (remoteness, wirelessness, locality, emergence, speech, translation, appropriation,…)

In this sense the main question is not how the bird is mediated by our contemporary culture, but how the bird itself is remediating contemporary culture to us (to me = the researcher).

The goal is to participate in the ongoing myth-production, to anticipate a future myth, to prepare its re-connection with historical and traditional narratives.

Superflux

Screen shot 2013-02-10 at 16.51.31
Superflux is an Anglo-Indian design practice: based in London, but with roots and contacts in the Gujarati city of Ahmedabad.
They work closely with clients and collaborators on projects that acknowledge the reality of our rapidly changing times, designing with and for uncertainty, instead of resisting it.
They are particularly interested in the ways emerging technologies interface with the environment and everyday life, and with proven experience in design, strategy and foresight, Superflux is in a unique position to explore the implications of these new interactions. Ultimately, they strive to embed these explorations in the here-and-now — using rapid prototyping and media sketches to turn them into stimulating concepts, experiences, products and services.
http://www.superflux.in/

de kiezelzang van de zwarte roodstaart, de Miel-Beton, de Metal-Pecker, het Ijsberen en de New Aesthetic

Als een spreeuw of merel rinkelt,
grijpen wij dan naar onze smartphone?

de kiezelzang van de zwarte roodstaart, de Miel-Beton, de Metal-Pecker, het Ijsberen en de New Aesthetic

Of ergeren wij ons dan aan de overvloed van gerinkel, met haviksoog en arendsblik de boosdoener zoekend en met vermanende blik zijn verstorend gedrag diets makend, zoals we doen op de trein?

Of wordt ons geërger gesublimeerd in een esthetisch gemotiveerde fascinatie voor het kunnen van de vogel? Wijst dit gerinkel, door middel van contrast, op de pracht van natuurlijke vogelzang?*

(*Contradictorisch genoeg is de natuurlijke vogelzang vaak bestempeld als de voorouder van onze muziek. De inspiratie van de melodie en het refrein. De fluit en het fluiten. Na een lange technologische evolutie lijkt de cirkel rond, en neemt de vogel ons (technologisch) gefluit over.)

Een ringtone is een fluiten, een roepen, een samenroepen, een oproep tot (een ‘call’ cfr. de vogel zijn roep). Een mobiel toestel dat in onze buurt verblijft, roept ons tot de orde. En het gaat hier niet zozeer om de relatie tussen de beller en de opgebelde, maar tussen het toestel en de eigenaar. (denk aan het fluiten op je vingers)

Naast het roepen, is de ringtone ook een fluiten in de zin van een zingen, een schuifelen. De ringtone maakt, door zijn veelvuldig voorkomen, deel uit van onze akoustische ruimte. Het instellen, het kiezen van die ringtone maakt deel uit van het inrichten van die akoustische ruimte.

De ringtone is ook een vorm van branding (bv. de standard nokia ringtone), die kan teruggebracht worden tot een Darwiniaans evolutionair gevecht voor het voortbestaan, de survival of the fittest. Net als vogels doen. Het is een battle of species (lees: brands).

Op meer algemene wijze is de ringtone ook een teken en een oproep voor het communiceren in het algemeen en het gebruik van technologie hiervoor (de gsm) in het bijzonder.

De ringtone is ook op een ander niveau verwant met de evolutionaire theorie, het is de geldingsdrang van het individu, bij het instellen (of niet) van volume, duur en type ringtone richt de gebruiker niet alleen zijn eigen akoustische ruimte in maar manifesteert zich onvermijdelijk in de akoustische ruimte van anderen, uitgaande van het feite dat deze ruimte fundamenteel sociaal is. Het is een vorm van ‘display’, het tentoonspreiden.

De ringtone is ook een platform, als een lichaamscel, die kan worden aangegrepen door parasieten. De akoustische ruimte is, zoals elke sociale ruimte (in onze tijd), doordrongen van de markt. Het is een (onrechtstreeks) verkoopsplatform. Ons zingen, ons fluiten is verworden tot een vermarkt product. En de makers ervan vinden op het platform van de ringtone (als drager van ‘muziek’) een geschikt promotieplatform.
(Op een zelfde manier is ons spreken zelf vermarkt. Het communiceren op afstand, tele-foneren is dermate ingeburgerd (en goedkoop geworden) dat het een centrale plaats in ons communiceren heeft ingenomen.)

We mogen niet vergeten dat ook de mens een blinde replicator van deze akoustische ruimte is, en vooral van de parasieten. De (pop)muziek bombardeert ons via het auditieve stelsel met nonecafonisch (elementaire, eenvoudige) gefluit. Dit is dermate elementair dat het in ons subliminale vogel-brein blijft plakken, en dat wij het op subliminale wijze herhalen.

Of zijn wij vol bewondering voor deze meesterlijke, gemaniëreerde vertolking of interpretatie die de vogel ons hier geeft van een nonecafonische 8-bit ringtone?

In die bewondering lijkt een oordeel op basis van een hierarchische rangschikking te schuilen. Een omkering van onze bewondering die we destijds voelden toen de grammofoon en de film erin slaagden om de natuur te imiteren. Vandaag zijn we verwonderd dat de natuur erin slaagt om de technologie te imiteren.

Dat de papegaai er sinds jaar en dag in slaagt om de menselijke stem te imiteren, kon zeker ook op bewondering rekenen. Maar men mag niet vergeten dat zo’n papegaai een huisdier was, quasi gedomesticeerd, en voorzien van een geprojecteerde geest. Wat hij zij was verwonderlijk, maar ook begrijpelijk.

De spreeuwen die rinkelen, doen bovendien niet ons na maar een van ons afgedreven technologie. Een technologie wiens uitingen van ons verwijderd zijn door de zwarte socio-technologische doos waarin haar werkzame principes zich bevinden, waarin haar oordeel gevormd wordt.

Het is met andere woorden misschien niet zo’n slechte zaak om hier een derde actor in het spel te brengen. Of beter een duidelijk onderscheid te maken tussen het dier dat de mens nabootst en het dier dat de technologie nabootst.

Toen de technologie kon ingeschakeld worden om (quasi autonoom) de natuur na te bootsen (grammafoon, foto en film), betekende dit de overwinning van de technologie op de natuur. Het was de definitieve ommeslag in een proces dat reeds lang gaande was. Landbouw, geneeskunde etc. zijn niets anders. (zie ook het schrift) Het kritische punt in dit is dat dit overwinnen zich in onze spraak manifesteerde en op een zeer intense manier ermee verwikkelde.

We konden, met onze technologie de natuur gaan ‘reproduceren’ in onze spraak. En wel op automatische en onbeperkte wijze. Maar tegelijk was het niet meer mogelijk om dit spreken zonder de technologie te doen, d.i. zonder technologische apparaten die het spreken ondersteunen. (afspeelapparatuur).

Deze symbolische overwinning (in de taal) op de natuur is fundamenteel. Het is met de taal dat we de wereld structureren, de grenzen van ons zijn afbakenen. Die taal werd vanaf dat moment uitgebreid met de mogelijkheid om de natuur te capteren. (weliswaar mbv een technologische extensie, cfr McLuhan’s amputatie).

(de technologie komt los van de natuur te staan, overwint die, en wordt meer intens met ons verbonden, maar tegelijk wordt die minder toegankelijk voor ons; het is een schizofrene* situatie.

Zie schizofrenie: gespleten door een verbondenheid met zowel natuur als technologie die en gevecht met elkaar aangaan. (schizofrenie heeft alles met taal te maken)

Het gaat dus over de verhouding tussen de natuur, de mens en de technologie. Deze verhouding neemt een eigenaardige vorm aan als de spreeuw gaat rinkelen.

Of doet de spreeuw het beter dan het toestel? Of is het toestel hier de leermeester van de vogel?

We zien een eigen-aardige fascinatie voor zowel de vogel als de technologie, die zich met elkaar binden. De ‘muzikale file’ wordt vertolkt door de vogel en de vogel wordt ‘iets aangeleerd’ door de technologie.

Of de spreeuw het nu beter doet dan het toestel, of het toestel iets voortoont en aanleert aan de spreeuw doet er niet toe. Het belangrijkste is dat de spreeuw een eigen versie maakt. Er ontstaat iets anders.
Het is niet de cleane ringtone zoals je die op je computer kan afspelen, en ook niet de goedkope hel klinkende ringtone als hij door je 5 cent speaker komt van je plastic vervang gsm, of de versie van diezelfde ringtone uit je iPhone die ergens onderaan in je handtas zit.

De spreeuw die rinkelt is een oxidatie-proces. Een reactie-proces, een oersoep met reactievorming. Zoals alle bronzen beelden groen uitslaan, zo zullen alle spreeuwen rinkelen. Het is een natuurlijke reactie die leven baart, die net zoals de oersoep een nieuwe dimensie toevoegt aan het bestaan.
Het grote verschil met de patina van bronzen beelden is dat niet de natuur voor de patina zorgt op een technologische structuur, denk ook aan mos op een dak. Het is niet de natuur die de technologie toeëigent. Wat er gebeurt is net het omgekeerde. De technologische structuur dringt door in het natuurlijke. Het resultaat is hetzelfde, een ‘doorleefd’ karakter van een technologische vorm.
De patina was er met andere woorden al, maar werd ingevuld door de technologie.

Dit is op zich niets nieuws. de technologie heeft de eigenschap om dat wat zich rond haar bevindt, en er vatbaar voor is, te herstructureren. De menselijke samenleving herorganiseert zich rond haar technologie (denk maar aan de wagen, of het internet). Dit is wat we noemen een socio-technologisch systeem.

De natuur doet dit ook. De natuur past zich aan aan de technologie, die haar omgeving vormt en er zo meer vergroeid raakt. Onkruid groeit op verschaalde plaatsen, bijen in de stad maken honing van fanta en soft-ice, de roodstaart heeft een kiezelzang, vossen trekken de stad in, de specht gebruikt metalen borden, de slechtvalk verruilde rotswanden voor kathedralen en electriciteitspilone… deze uitingen konden gezien worden als normale overlevingsmechanismen en aanpassingen. Een biologisch, natuurlijk fenomeen.

De spreeuw leert ons iets anders. Het is de technologie die vervormt, die toetreedt.

Birdcasting II

http://wiki.envirocasting.net/wiki/Birdcasting_Bibliography#Black_Bird

Mating Call Ringtones

http://www.textually.org/ringtonia/archives/cat_animal_tones.htm

From the Mail

http://www.dailymail.co.uk/news/article-1034151/Blackbird-mimic-sound-ambulances-siren-makes-familys-life-hell.html

Parrot

Original Story in Sun

! Pretty Annoying Polly

http://www.thesun.co.uk/sol/homepage/news/article555133.ece http://www.thesun.co.uk/sol/homepage/news/article553292.ece

A mobile phone ringtone mimicking parrot!

http://newsagency.thecheers.org/World-news/news_2764_A-mobile-phone-ringtone-mimicking-parrot.html

Parrot mimics polly-phonic phone

http://www.theinquirer.net/inquirer/news/565/1015565/parrot-mimics-polly-phonic

UK thread on message board

http://www.wildaboutbritain.co.uk/forums/british-birds/9132-car-alarm-bird.html

Article from the Inquirer

http://www.theinquirer.net/inquirer/news/198/1008198/birds-think-they-are-mobile-phones

England via Denmark

http://www.theregister.co.uk/2001/05/11/birds_sing_mobile_phone_tunes/

Starlings (Good Metaphors)

http://www.independent.co.uk/environment/now-birds-brag-by-mimicking-mobiles-685142.html

Now birds brag by mimicking mobiles

By Chris Gray

Friday, 18 May 2001

 

The irritation is about to get worse. Already inescapable on the train, at the restaurant and in the office, the sound of a mobile phone ringing is about to destroy the peace hitherto offered by a country walk.

The irritation is about to get worse. Already inescapable on the train, at the restaurant and in the office, the sound of a mobile phone ringing is about to destroy the peace hitherto offered by a country walk.

Male British birds have taken to mimicking the noise made by mobile phone ringtones. And not unlike the first human mobile users, their noise is all to do with bragging about their success and attracting the opposite sex.

The phenomenon has been noticed mainly among starlings ­ distant relatives of the mynah bird ­ and song thrushes, although the blackbird and the marsh warbler are not immune.

Mike Everett, a spokesman for the Royal Society for the Protection of Birds, said birds had long imitated man-made sounds, from the human whistle to car brakes screeching.

“Birds have always imitated mechanical and electronic sounds. Not all of them do it but some are great mimics. About 10 per cent of a starling’s song is mimicry.

“The better they are at a varied song and puffing their chest out, the better they will be at holding their territory and finding a mate. It is a macho thing really,” he said.

Mr Everett said the development could help bird populations if it encouraged more breeding. It would be particularly beneficial for starlings whose population has fallen by about 50 per cent.

There is some relief: the more intricate ringtones are unlikely to be copied by birds, as their range is restricted to more simple tunes.

Picking a Unique ringotne just got much harder

http://www.cnn.com/2001/TECH/science/06/12/birds.cellphones.ap/index.html

 

Found article on birds imitating ringtones

Birds in Copenhagen are giving new meaning to the phrase “bird calls.” 

taken from:
http://news.cnet.com/2100-1033-257826.html 

Danish ornithologists say that birds, especially Starlings, have begun incorporating the sound of a ringing cellular phone into their own songs. So far, reports of wireless warbling have been restricted to Copenhagen, where birds seem to favor Nokia’s classic ring tone.

Birds imitating sounds produced by technology is nothing new. They choose simple tunes to reproduce. The standard ring tone on a phone usually comprises any combination of nine tones. And the tunes themselves don’t typically contain harmonies, which are made by playing multiple musical tones at the same time.

Usually, birds copy what they hear the most. Birds in rural areas have added the sound of horses whinnying, lawn mowers and even chainsaws to their repertoires. In cities, birds have added car alarms, the warning beep of a truck backing up and police sirens to their calls, experts say.

Ornithologists expect birds in other cities where cell phone penetration is high to begin adding ring tones to their tunes.

Imagine the possible confusion, says Andrew Smith, spokesman for London-based Royal Society for the Protection of Birds. A single ringing phone can already cause a room of mobile phone owners to reach for their pockets.

A few Starlings armed with a Nokia tune crowing on a crowded city block “could bring a place like San Francisco to a stand still,” Smith said.

Starlings, which are found in many areas of the world, in addition to mockingbirds, catbirds, brown thrashers and others, constantly look for new tunes for their songs, which are sung to attract the opposite sex, experts say.

The longer the song, the more macho the bird appears to be, according to Allison Wells, director of outreach for the Cornell Lab of Ornithology.

“It makes the males who sing that much more attractive,” she said.

But if some mischievous bird manages to indeed force an entire city sidewalk of pedestrians to check on their phones, there is some revenge on the way.

Companies have started offering bird calls as ring tones, Smith said.

“I wonder what would happen if these birds hear those ring tones and think it’s a potential mate,” Smith said.

 

 

 

Wirelessness

Many people would probably say that they have no interest in, let alone experience of, the algorithmic processes driving antennae in wireless networks such as Bluetooth or Wi-Fi. Does media theory need to think about antennae and algorithms? Should it begin to conduct research into the cultural life of antennae? This is not the point. Rather, as James says:

To be radical, an empiricism must neither admit into its constructions any element that is not directly experienced, nor exclude from them any element that is directly experienced. For such a philosophy, the relations that connect experiences must themselves be experienced relations, and any kind of relation experienced must be accounted as ‘real’ as anything else in the system. (James, 1996, 42)

The key point here is that ‘the relations that connect experiences must themselves be experienced relations.’ James at work in his wireless library, and all the billions of wireless chips in their algorithmically driven handling of conjunctive relations together construct experiences filled with conjunctive relations. But in what sense are the algorithmic processes of wireless networks a part of the expanded experience of wirelessness?

From: http://journal.fibreculture.org/issue13/issue13_mackenzie_print.html

issue 13 – After convergence: what connects? 

Wirelessness as Experience of Transition

Adrian Mackenzie

Institute for Cultural Research, Lancaster University 

 

New Aesthetic Intuition

The New Aesthetic has something very exciting to it. But it also made me angry, as if I was spoiling my time with it. In this respect it seems to reflect the qualities of its subject. As I read in one of the many comments on one of the many blogposts: it took the guilt out of distraction.

Intuition is like a slow motion machine that captures data instantaneously and hits you like a ton of bricks. 

— Abela Arthur 

The New Aesthetic is not built upon a heap but upon a cloud of images. It’s a networked reflection, a distributed dialectic, patiently and full of confidence moving slowly towards something that will ’emerge’.

The New Aesthetic is old fashioned by using the image as its foremost vehicle. The New Aesthetic is old fashioned by using the flag and the name-banner as its landmark. But this makes it all the more contemporary. The New Aesthetic is a remediation of the rhizomatic. 

The New Aesthetic is a collective wondering, a distributed drift. It takes the Web not only as a shared external memory, it becomes a shared and social cyberpsychogeographical wandering. It renders the rhizome into the real.

The New Aesthetic is not a scene or movement. It is a collective algorithmic query, a distributed Google Image Search. It’s a viral intuition.

The New Aesthetic is an inside-out panopticon. A faceless gaze into a mirror. Mise-en-abime, beyond the interface. It’s the melting of the silver backside of the mirror.

The New Aesthetic is the dissolution of the cultural interface. It’s the  mirror-stage of the perpetual socio-technological momentum. It’s a blurring and glitchy foggy cloud.

The New Aesthetic is the birth of the last medium. “The true novelty is that it not refers for its meaning to other media at all. For our culture, such mediation without remediation seems impossible.” (adaptation of Bolter & Grusin) It’s the vaporization of the interface.

The New Aesthetic is our first true libidinal relation with the socio-techological body image. The New Aesthetic is a sociotechno-phenomenological experiment towards a socio-technological ontology.

The New Aesthetic is shifting our relation with technology from instinctive and animistic to intuitive and supernatural.

Sincerely yours,

Bram Crevits

Les Maitres Fous – Jean Rouch



Watch Jean Rouch : Les maîtres fous – The mad masters in Educational  |  View More Free Videos Online at Veoh.com


A documentary by the French Jean Rouch about spiritual possession in Africa during the colonial age. The possession itself was ‘inspired’ by Western man & technology.

Reacting to the New Aesthetic

1puddlepotholes

Trap street trapped, while clouds are storming dancing in the sky.
Staring at the rippled puddles of the road, at an Animated blending of distortion and façades.

1rolling-thunder-cloud

On your knees knee-deep in this nameless storm in fluidifying blurb, missing out even on the gaze and on the meshes of the dome.

1whirlpool

The levees break and the Maelström sucks.
Not waving though, just drowning

ἀκουσματικοί

Acousmatic sound is sound one hears without seeing an originating cause. The word acousmatic, from the French acousmatique, is derived from ἀκουσματικοί akousmatikoi, a term used to refer to probationary pupils of the philosopher Pythagoras who, so that they might better concentrate on his teachings, were required to sit in absolute silence while listening to their teacher deliver his lecture from behind a veil or screen. The term acousmatique was first used by the French composer, and pioneer of musique concrètePierre Schaeffer.

http://en.wikipedia.org/wiki/Acousmatic_sound